Achtergrondinformatie

Op 8 december 1941, één dag na de Japanse aanval op de Amerikaanse marinebasis Pearl Harbor, verklaarde Nederland de oorlog aan Japan.

Met de aanval op Pearl Harbor raakten de Verenigde Staten betrokken bij de Tweede Wereldoorlog aan de zijde van de geallieerden. De Britten en de Amerikanen verklaarden Japan eveneens de oorlog op 8 december. Vier dagen laten verklaarden de Duitsers, als bondgenoten van de Japanners, de oorlog aan de Amerikanen. De oorlog werd zodoende nog meer een wereldoorlog.

 

In januari 1942 viel Japan de kolonie Nederlands-Indië aan. Binnen drie maanden bezette Japan heel Zuidoost-Azië.

Op 9 maart 1942 capituleerde het KNIL. De Japanse bezetting van Nederlands-Indië was daarmee een feit. Japan riep Aziatische volkeren, dus ook die in Nederlands-Indië, op om de ‘ketenen van het Westerse imperialisme te breken’ en te kiezen voor een nieuw ‘Azië voor de Aziaten’. De bezetting van Nederlands-Indië was Japan ook vooral om de aanwezige grondstoffen te doen.

 

Militairen van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) werden krijgsgevangenen gemaakt. Europese en later ook veel Indo-Europese burgers werden geïnterneerd in kampen. Ook het leven buiten de kampen werd steeds moeilijker.

Japan streefde naar de Japanisering van de Indische maatschappij en het verwijderen van Westerse invloeden. Westerse personen werden van de maatschappij geïsoleerd en geïnterneerd in kampen. Veel Indische Nederlanders en KNIL-militairen van Molukse afkomst bleven in de eerste periode van de bezetting buiten de kampen.

Voor de Indo-Europeanen die ook na 1943 buiten de kampen bleven, en voor de Indonesische bevolking zelf, werd het leven steeds zwaarder. Omdat Japan voedsel confisqueerde voor de oorlogsvoering was er in 1943 een nijpend tekort aan eten.

 

Aanvankelijk werd de komst van de Japanners door veel Indonesiërs gezien als een belofte voor onafhankelijkheid, maar van die belofte kwam weinig terecht.

Waar pro-Nederlandse personen de Japanse komst van meet af aan zagen als een bezetting, zag het merendeel van de Indonesische bevolking hen eerder als bevrijders. Soekarno, de latere president van Indonesië, werkte evenals andere Indonesische politici samen met Japan in de hoop de sleutels voor Indonesische onafhankelijkheid in handen te krijgen.

Door middel van propaganda en deels door het geven van meer eigen bestuursverantwoordelijkheid probeerde het Japanse bestuur de Indonesische bevolking voor zich te winnen. Ook de militaire training van veel Indonesiërs wakkerde aanvankelijk de hoop aan op een spoedige onafhankelijkheid. Maar na verloop van tijd werd de Japanse uitbuiting van Indonesië ten behoeve van de oorlogsinspanningen steeds omvangrijker. De belofte van onafhankelijkheid bleek voorlopig nog niet ingelost te worden.

 

De Japanse bezetting maakte veel slachtoffers onder alle inwoners van de archipel: zowel Europees als Indonesisch.

Vanaf 1943 waren er grote voedseltekorten die leidden tot een hongersnood op Java, met honderdduizenden doden tot gevolg. Ook waren er 4.1 miljoen romusha’s, geronselde Indonesische dwangarbeiders, die op duizenden kilometers van hun woonplaats onder erbarmelijke omstandigheden werk moesten verrichten voor Japan. Er wordt geschat dat 180.000 van hen zijn gestorven.

Ongeveer 100.000 Nederlandse burgers waren geïnterneerd in burgerkampen. Tussen de 13.000 en 16.800 burgers zijn in de kampen omgekomen. Van de 42.000 Europese krijgsgevangen van het KNIL en de Koninklijke Marine zijn er 8200 omgekomen in krijgsgevangenschap.

 

Anti-Japans verzet vond plaats in een complexe koloniale samenleving waarin meerdere partijen verschillende idealen nastreefden: van terugkeer van het Nederlandse bestuur tot Indonesische onafhankelijkheid.

Het anti-Japanse verzet werd onder meer gepleegd door Nederlanders, Indo-Europeanen, Molukkers en andere Indonesiërs. Deze groepen hadden verschillende idealen en doelen. Waar de ene groep opkwam voor Indonesische onafhankelijkheid en zowel tegen Japans als Nederlands bestuur was, hoopten pro-Nederlandse verzetslieden juist op een terugkeer van het Nederlandse koloniale gezag.

Onder de eerstgenoemde groep vallen onder andere nationalistische Indonesische intellectuelen. De nationalistische politici Soetan Sjahrir en Amir Sjarifoeddin kwamen in verzet en wensten in tegenstelling tot de latere president Soekarno niet samen te werken met Japan. Daarnaast vonden op Java revoltes plaats. In nasleep van de verplichte Japanse vordering van rijst, het ronselen van romusha’s en de tekorten in levensmiddelen, kwam het op Java meer dan eens tot gewelddadige opstanden, met honderden doden tot gevolg.

 

Verzet tegen de Japanse bezetter werd onder meer gepleegd door Indo-Europeanen, Nederlanders en Molukkers. Dit waren zowel burgers als voormalig KNIL-militairen.

Uit Japanse cijfers blijkt dat de meeste verzetsactiviteiten zijn geïnitieerd door Nederlanders en Indische Nederlanders, veelal in samenwerking met Molukkers, Menadonezen en Timorezen. De laatste drie groepen waren nauw verbonden met het Nederlandse gezag. Bij de werving van militairen gaven het KNIL en de Koninklijke Marine aan deze groepen al sinds lange tijd een voorkeurspositie. De verzetsmensen wilden met hun activiteiten afbreuk doen aan het Japanse gezag en gelijktijdig de geallieerde en Nederlandse zaak dienen. Veel Indische Nederlanders en Indonesische KNIL-militairen, waaronder veel Molukkers, bleven in de beginperiode buiten de kampen en konden zo hun illegale werk ontplooien.

 

Veel verzetsstrijders werden opgesloten, gemarteld of gedood door de Japanse militaire politie, de Kenpeitai.

De Japanse militaire politie, de Kenpeitai, maakte het verzet bijna onmogelijk. De organisatie maakte bij het opsporen van verzetsmensen gebruik van informanten en rechercheurs van de Politieke Inlichtingen Dienst (PID). De PID was voorheen het onderdeel van de koloniale politie dat groepen in de gaten hield die zich tegen het koloniale gezag richtten. Tijdens de Japanse bezetting stond de PID volledig onder controle van de Japanners.

Martelingen door de Kenpeitai en de PID waren zeer berucht. Veel personen die waren opgepakt op verdenking van verzetsactiviteiten doorstonden vreselijke martelingen.

 

Verzet varieerde van sabotage van het werk in de interneringskampen tot het verzamelen van inlichtingen en gewapend verzet buiten de kampen.

Bij verzet in de kampen valt te denken aan humanitaire hulpverlening aan medegevangenen, werkweigering en sabotage van machines.

Buiten de kampen was guerrillastrijd tegen de Japanse overheersing een vorm van verzet. Na de capitulatie weigerden sommige groepjes militairen de wapens neer te leggen. Behalve op Nieuw-Guinea en Timor hielden de guerrillagroepen echter nergens lang stand. De houding van de Indonesische bevolking was een belangrijke factor waarom de guerrilla, en het anti-Japanse verzet door pro-Nederlandse personen in het algemeen, vaak niet tot wasdom kwam.

In voorbereiding op de verwachte komst van de geallieerden verzamelden verzetsmensen militair-strategische gegevens. Ook verspreidden ze geallieerde oorlogsberichten onder de bevolking, probeerden ze radiocontact te krijgen met Australië, verzamelden ze wapens, verschaften ze onderduikadressen, legden ze contacten met ondergedoken KNIL-soldaten, pleegden sabotage en liquideerden ze Japanners.

Voor persoonlijke voorbeelden, lees de verzetsverhalen op de Kaart van Indisch Verzet.